ANGELICA


Leo keek naar Angelica die dood in bed lag. Wat was ze lelijk! Lelijk zoals alleen maar ziekte en dood lelijk kunnen zijn. Voelde hij verdriet? Hij wist het niet. Tikkeltje weemoedig misschien. Heimwee naar schone, schone dagen die voor goed voorbij waren. Bah! Waarom zou ik me druk maken om een stuk rottend vlees? Hij greep zijn reiskoffer en verliet het echtelijk huis.

Urenlang trok Leo nu al door het donker beukenbos. Plots scheen de zon. Hij stond aan de rand van een open grasveld. Naakte meisjes voerden er een reidans uit. Toen ze hem opmerkten bleven ze verlegen staan. Slechts één keek hem glimlachend aan. Hij liep op haar toe en raakte haar aan. Het was alsof hij in het ijle tastte. Er weerklonk een rinkelende meisjesgelach, als zilveren belletjes. Ze kwamen in een kring rond hem staan en lonkten hem verleidelijk toe. Hij probeerde er een te grijpen, maar het was alsof hij in het ijle tastte. Elfjes? Als een kleine jongen die met zeepbellen speelt, liep hij hen na. Maar telkens was het alsof hij in het ijle tastte; en weerklonk haar zilveren lach. Vrolijk speelde hij met die ongrijpbare meisjes. Tot hij kwaad werd. Het spirituele is wel mooi maar toch geef ik de voorkeur aan het vlezige. Hij greep zijn reiskoffer en nukkig als een kwajongen verliet hij het grasveld. Nog lang hoorde hij het zilveren lachen van de meisjes weerklinken.

Onder een treurwilg lag een graf. Op de stenen zerk krioelde het van de schorpioenen. Wees maar niet bang! Ons venijn steekt alreeds in uw lijf. Plots opende het graf zich en kwam er een gevleugelde vrouw uit zweven. Angelica! Leo liep op haar toe maar ze vloog weg. Weldra zweefde ze heel hoog aan de bewolkte hemel en veranderde in een arend die naar het westen toe vloog. Westwaarts alwaar de zon van het leven ondergaat …

Leo vervolgde zijn weg. Hij liep in oostelijke richting. Alras kwam hij aan de rand van het woud. Daar stond een prachtig landhuis; de iefte klom op de gevel en bereikte het dak.
Twee stieren kwamen op Leo af. Wees maar niet bang! Onze wellust steekt alreeds in uw lijf.

"Wie woont daar in dat mooie huis?" vroeg Leo.

"Een mooie vrouw die een man vandoen heeft."

Hij begaf zich naar het landhuis. Aan de ingang stonden twee leeuwen. Wees maar niet bang! Onze boosaardige wreedheid steekt alreeds in uw lijf.

Een deur stond open: een slaapkamer. Leo keek naar Angelica die slapend in bed lag. Nimmer was ze zo mooi geweest. Haar gezicht straalde als het licht van de maan. Om haar mond speelde een lieflijke glimlach. Leo trad op haar toe en kuste haar. Angelica ontwaakte, kwam uit bed en nam hem bij de hand. Samen verlieten ze het landhuis. Hand in hand liepen ze door het woud naar huis. Ze kwamen voorbij het open graf dat zich sloot. Op het grasveld voerden de naakte meisjes een vreugdedans uit.

In de echtelijke woning wees Angelica met een ondeugende glimlach naar de slaapkamer en verdween toen in de badkamer. Hij ging naar de slaapkamer …


© Gilbert Voeten 2002

Terug naar Verhalen


©©©
©©
©